Het molentje wou niet draaien
Zeg es, zei het molentje, ik kan vandaag niet draaien!
Ik heb al lang genoeg gedraaid, nu hou ik maar ’s op
Ome wind mag blazen en ome wind mag draaien…
Ik ga met vakantie en ik zet mijn wieken op.
Ja maar, zei de molenaar, dan kan ik ook niet malen,
Want als het molentje niet draait, dan zit ik met mijn graan!
Zeg es, zei de molenaar, ik ga mijn koffer halen!
Ik ga met vakantie naar mijn oude tante Sjaan.
Ja maar zei de bakkersbaas, dan kan ik ook niet bakken,
Want als de molenaar niet maalt, dan is er ook geen meel!
Zeg es bakkersbaas, ik ga mijn koffer pakken!
Ik ga met vakantie naar mijn oude tante Neel.
Maar wie toen om het hoekje kwam?
Dat was moeder Wim-Wam!
Moeder Wim-Wam was heel kribbig
En ze zei een beetje snibbig:
‘k Heb geeneens een boterham
voor het kindje Wim-Wam,
molentje, ga draaien!
Dadelijk, versta je!
Toen ging het molentje hard draaien, en de molenaar
ging hard malen en de bakkersbaas ging hard bakken
en het kindje Wim-Wam kreeg … hap … een kadetje!
En waar is dan de molenaar? Hij zit daar in de molen.
Hij zit daar met een kleur als vuur, die arme man, en ach,
Hij schaamt zich zo, hij schaamt zich zo, hij zit daar weggescholen,
En enkel als je ’t blaadje omslaat, komt hij voor de dag.
Annie M.G. Schmidt |

|